Eind vorig jaar besprak ik drie reeksen arresten die van grote betekenis zijn gebleken voor het Burgerlijk Recht, meer specifiek het Aansprakelijkheidsrecht. Afgelopen week heb ik een begin gemaakt aan de bespreking van arresten die belangrijk zijn voor het Contractenrecht, en in dit artikel doen Karsten Meijer en ik hetzelfde voor het rechtsgebied Ondernemingsrecht.

Achter de vindplaats hebben tevens het bladzijdenummer vermeld waarop het arrest terug te vinden is in de arrestenbundel Ondernemingsrecht van de Universiteit van Amsterdam.

HR 28-06-1996, NJ 1997, 58, Bodam Jachtservice (blz. 207)
Art. 31 (oud) Hrw ziet toe op bescherming van derden, waar in onderhavig geval de curator niet toe behoort. Een kortstondige bestuurder kan niet tekortschieten in zijn boekhoudverplichting, gelet op de korte periode dat hij was aangesteld (in dit arrest 25 dagen). Commissarissen zelf zijn niet gehouden tot boekhouden en openbaarmaking van de boekhouding (art. 2:248 lid 2 BW), maar uiteraard dienen zij wel toe te zien op nakoming hiervan door het bestuur en in geval van nalaten dienen zij het bestuur te adviseren en zo nodig in te grijpen door bijv. schorsing of ontslag. Omdraaing bewijslast curator/commissaris. Het is aan de curator om te stellen en bewijzen dat een commissaris zijn toezichthoudende taak onbehoorlijk heeft vervuld, doch mag van de commissaris worden verlangd dat hij voldoende feitelijke gegevens verstrekt ter motivaring van zijn betwisting.

HR 3-2-1984, NJ 1984, 386, Café ’t Brouwertje (blz. 44)
Onjuistheden of onvolledigheden in het handelsregister, kunnen derden niet worden tegengeworpen. Ongeacht of die derden in vertrouwen op de inschrijving hebben gehandeld dan wel eerst het handelsregister hebben geraadpleegd.

HR 24-3-2000, NJ 2000, 354, WTN (Wachtkamertelevisie Nederland) (blz. 275)
Op rekening 1 een krediet verkrijgen en dat geld storten op rekening 2, om van die rekening vervolgens een bankverklaring op te maken, is niet voldoende om aan de oprichtingsvereisten te voldoen, en zal bij een faillissement leiden tot een vordering van de curator op de oprichters om alsnog de aandelen vol te storten.

HR 8-11-1991, NJ 1992, 174, Nimox (blz. 123)
Enig aandeelhouder besluit in de algemene vergadering van aandeelhouders tot dividenduitkering die praktisch alle reserves deed verdwijnen. Vervolgens ontstaan er crediteursvorderingen die niet meer voldaan kunnen worden. Vraag is of de enig aandeelhouder door de curator aangesproken kan worden uit onrechtmatige daad. De Hoge Raad heeft in dit arrest beslist van wel, en tevens dat daar geen machtiging van de crediteuren aan de curator voor nodig is.

HR 21-1-1955, NJ 1959, 431, Forumbank (blz. 1)
Een Algemene Vergadering van Aandeelhouders is niet bevoegd het bestuur te bewegen om de vennootschap eigen aandelen in te laten kopen. Dat is een bevoegdheid die uitsluitend toekomt aan het bestuur.

HR 28-12-1987, KG 1988, 37, Amstelland (blz. 57)
Kan een moedervennootschap van haar 100%-dochtervennootschappen (als aandeelhouder) verlangen dat deze zich over en weer aansprakelijk stellen voor schulden uit een door door de moedervennootschap t.b.v. het hele concern af te sluiten kredietovereenkomst? De Hoge Raad heeft bepaald dat dat kan, mits dit op basis van wederkerigheid gebeurt (zelfs al houdt het doel van de dochters in de statuten niet met zoveel woorden in dat dit verstrekken van aansprakelijkheids- en zekerheidsstellingen ten behoeve van derden omvat) en het gehoor geven aan zo’n instructie niet zal leiden tot het in werkelijk gevaar brengen van het voortbestaan van de dochter.

HR 13-7-2007, NJ 2007, 434, ABN Amro (blz. 399)
Dit recente en belangrijke arrest geeft duidelijkheid over de rol van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders bij het verkopen van een bedrijfsonderdeel door het bestuur in een overnamesituatie van het bedrijf zelf. De Hoge Raad heeft beslist dat zonder de wet of statuten daarin voorzien, er geen goedkeuringsrecht van de AVA bestaat m.b.t. de verkoop van het bedrijfsonderdeel. De aandeelhouders hoeven zelfs niet te denken dat ze geconsulteert hoeven te worden in een dergelijke situatie (losers!).

HR 26-10-1984, NJ 1985, 375, Sjardin (blz. 50)
Indien de Algemene Vergadering van Aandeelhouders een bestuurder ontslaat, zijn niet alleen de regels betreffende arbeidsovereenkomsten van toepassing maar aanvullend dient gekeken te worden naar de op ontslag van die bestuurder gerichte wil van de vennootschap, zoals die zich jegens de bestuurder tot uiting is gebracht en dan specifiek of deze zich heeft gevormd conform de hiervoor geldende regels van de wet en statuten én de werking van de goede trouw.

HR 4-12-1992, NJ 1993, 271, Meijers/Mast (blz. 141)
Of een ontslag van een bestuurder door de Algemene Vergadering van Aandeelhouders, naar aanleiding van het niet willen uitvoeren van het door hun gewenste beleid, een redelijke grond kent, hangt volgens dit arrest van de Hoge Raad af van de aard van het door de AVA gewenste beleid en van de overige omstandigheden. In dit arrest was het enkele feit dat de bestuurder ander beleid wilde gaan voeren onvoldoende voor zijn ontslag.

HR 26-01-1994, NJ 1994, 545, Heuga (blz. 152)
Dit arrest heeft betrekking op de procesbevoegdheid van de Ondernemingsraad van een onderneming. De Hoge Raad stelt dat deze enkel procesbevoegdheid heeft tegen “de ondernemer” in de zin van art. 1 Wet op de Ondernemingsraden.

HR 17-12-1982, NJ 1983, 480, Bibolini (blz. 32)
Beperking van de handelingsbevoegdheid van het bestuur bij besluit van de AVA heeft in beginsel geen externe werking. Daarbij is niet van belang of de persoon of instantie waarmee gehandeld is van de bevoegdheidsbeperking op de hoogte was. Wel kan, in zeer specifieke gevallen, het in strijd met de goede trouw zijn als iemand hier wèl van op de hoogte is, en desondanks de overeenkomst aanging.

HR 22-3-1996, NJ 1996, 568, Mediasafe I (Mediasafe 1) (blz. 191)
Dit arrest gaat over de reikwijdte van het tegenstrijdig belang als bedoeld in art. 2:256 BW. De vraag komt aan de orde of er sprake kan zijn van een tegenstrijdig belang indien een bestuurder handelt met een derde. De Hoge Raad meent van wel en introduceert hier het begrip ‘indirect tegenstrijdig belang’.

HR 11-9-1998, NJ 1999, 171, Mediasafe II (Mediasafe 2)(blz. 270)
In dit arrest werkt de Hoge Raad het principe van ‘indirect tegenstrijdig belang’, dat wil zeggen tegenstrijdig belang dat zich voor kan doen bij handelen met derden, uit. De Hoge Raad stelt dat de vennootschap de uit art. 2:256 BW voortvloeiende onbevoegdheid van een bestuurder aan derden tegen kan werpen, indien het tegenstrijdig belang de derde bekend was dan wel bekend hoorde te zijn.

HR 3-5-2002, NJ 2002, 393, Brandao/Joral (blz. 326)
De in de wet opgenomen dwingendrechtelijke tegenstrijdig-belangenregeling (art. 124 WvKNA en art. 2:146 BW) is ook van toepassing op indirecte tegenstrijdige belangen. Het bestuur is verplicht om de Algemene Vergadering van Aandeelhouders tijdig op de hoogte te stellen van een indirecte-belangensituatie zodat zij een bijzondere vertegenwoordiger aan kan wijzen. Als wordt nagelaten deze informatie te verschaffen, dan kan een door het bestuur in een dergelijk geval genomen besluit op vordering van iedere belanghebbende in rechte worden vernietigd.

HR 6-4-1979, NJ 1980, 34, Kleuterschool Babbel (blz. 7)
Introductie van de Onrechtamtige Daad (art. 6:162 BW) voor publiekrechtelijke rechtspersonen. Er wordt vanuit gegaan dat dit analoog toegepast kan worden op privaatrechtelijke rechtspersonen. Vereiste is dat de daad in het maatschappelijke verkeer als gedraging van de rechtspersoon worden gezien.

HR 19-2-1988, NJ 1988, 487, Albada Jelgersma (blz. 62)
Dit arrest heeft betrekking op een concernverhouding waarin aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad kan ontstaan op de moedervennootschap van een dochter. Het ging niet goed met de dochter en de moedermaatschappij heeft nagelaten maatregelen te treffen via de intensieve verhouding die ze had met de dochter. Dit is dus een uitzondering op de regel dat aandeelhouders niet aansprakelijk zijn voor de handelingen (of het nalaten) verricht door een onderneming waarin zij aandelen hebben.

HR 13-10-2000, NJ 2000, 698, Rainbow (blz. 295)
Het verplaatsen van ondernemingsactiviteiten van de ene naar de andere rechterspersoon met geen ander oogmerk dan de fiscus als crediteur te benadelen, door het verijdelen van verhaal, is onrechtmatig jegens deze crediteur en verplicht tot vergoeding tot de schade die echter niet zonder meer gelijk is te stellen aan het bedrag van de vordering waarvan men het verhaal wilde verijdelen.

Hof Amsterdam, Ondernemingskamer, 20-11-1997, NJ 1998, 392, Hooymans (blz. 266)
Geschillenregeling art 2:343 BW. Als een aandeelhouder als directeur wordt ontslagen dan is deze zodanig in zijn belangen geschaad dat het voorduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem gevraagd kan worden. De vraag of het ontslag zelf terecht of niet is is daarbij niet van belang.

HR 10-01-1990, NJ 1990, 466, OGEM (blz. 88)
De Hoge Raad bepaalt in dit arrest dat het enqueterecht, zoals vastgelegd in 2:344 e.v. BW, niet alleen bedoeld is voor sanering en herstel van gezonde verhoudingen middels een reorganisatie, maar ook als doel heeft opening van zaken en vaststelling van verantwoordelijkheid voor mogelijk wanbeleid te bezorgen. In casu was de procureur-generaal wel degelijk ontvankelijk aangezien van de enqueteprocedure een preventieve werking uitgaat en derhalve een dergelijke zaak in het maatschappelijk belang (als voorbeeldfunctie en het belang van rechtsvorming) gevoerd mag worden.

HR 6-10-1989, NJ 1990, 286, Beklamel (blz. 81)
In dit arrest is een maatstaf te vinden voor de persoonlijke aansprakelijkheid van een directeur van een besloten vennootschap uit onrechtmatige daad. Bij het aangaan van verbintenissen door de directeur namens de vennootschap is van belang of de directeur wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet of niet binnen een redelijke termijn aan haar verplichten zou kunnen voldoen, en geen verhaal zou bieden voor de schade ten gevolge van die wanprestatie. Als dat zo is, dan is persoonlijke aansprakelijkheid uit hoofde van onrechtmatige daad mogelijk.

HR 2-12-1994, NJ 1995, 288, Poot/ABP (blz. 171)
De vraag in dit arrest is of een directeur-grootaandeelhouder (DGA) een privé-vordering in kan stellen tegen een schuldenaar van zijn vennootschap. De Hoge Raad oordeelt van niet, tenzij de directeur aan kan tonen wat de specifieke geschonden zorgvuldigheidsnorm is jegens hem in privé en dat hij niet enkel kan volstaan met het stellen van wanprestatie jegens het concern.

HR 10-1-1997, NJ 1997, 360, Van de Ven (blz. 235)
Wat is de reikwijdte van een expliciet of impliciet décharge van het bestuur? Een décharge strekt zich niet uit tot informatie waarover een individuele aandeelhouder uit andere hoofde – buiten het verband van de AVA – beschikking heeft gekregen of gegevens die niet uit de jaarrekening blijken ofniet anderszins aan de algemene vergadering van aandeelhouders zijn bekendgemaakt voordat deze de jaarrekening vaststelde. Een décharge strekt zich dus enkel uit tot zaken/informatie die formeel bekend was bij de AVA.

HR 8-6-2001, JOR 2001, 171, Panmo (blz. 310)
In dit arrest wordt een maatstaf geleverd voor onbehoorlijk bestuur van een vennootschap. De Hoge Raad heeft bepaald dat van onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 2:138 en 2:248 BW gesproken kan worden als een redelijk denkend bestuurder niet zo gehandeld zou hebben.

HvJ 13-12-2005, JOR 2006, 33, Sevic (blz. 353)
Een internationale fusie kon niet ingeschreven worden in het Duitse handelsregister. De traditionele Duitse rechtspraak achtte het alleen mogelijk dat een fusie tussen twee of meer Duitse ondernemingen mogelijk was. Dit arrest van het Europese Hof van Justitie leert ons dat de vestigingsvrijheid zoals neergelegd in art. 43 en 48 EG met zich meebrengt dat als een fusie op nationaal niveau toegestaan is, dit analoge toepassing dient te hebben op een internationale fusie.

HR 29-6-2007, NJ 2007, 420, Bruil Kombex (blz. 359)
Een beroep op tegenstrijdig belang als vastgelegd in art. 2:256 BW ter aantasting van een rechtshandeling verricht namens de vennootschap(pen) zal slechts kunnen slagen als i) een persoonlijk belang van de bestuurder tegenstrijdig was met het belang van de vennootschap(pen) en ii) de daaraan verbonden onderneming op grond van daartoe naar voren gebrachte, voldoende geadstrueerde, omstandigheden die zodanig van invloed kunnen zijn geweest op de besluitvorming van de betrokken bestuurder dat hij zich op grond van deze bepaling niet in staat had mogen achten het belang van de vennootschap(pen) en de daaraan verbonden onderneming met de vereiste integriteit en objectiviteit te behartigen en zich van de desbetreffende rechtshandeling had moeten onthouden.

In verband met een geringe inspanning bij het bestuderen van ieder arrest afzonderlijk, kan het zijn dat bovenstaande samenvatting niet geheel nauwkeurig is en/of onjuistheden bevat. Verbeteringen of aanvullingen vernemen wij graag per e-mail!