“dat echter de Nederlandsche rechter de innerlijke waarde of billijkheid eener wet niet mag beoordelen en een wet niet mag toetsen aan een verdrag, zoals dat waarvan het Landoorlogreglement 1907 deel uitmaakt, en evenmin aan een voorschrift als het hiervoor genoemde Decreet van de Führer;”

Dit waren de woorden die de Hoge Raad in 1942 gebruikte in het beruchte Toetsingsarrest (NJ 1942, 271) om zichzelf de bevoegdheid te ontzeggen om de door de Duitse bezetter afgevaardigde verordeningen te toetsen op hun rechtmatigheid of aan de heersende morele waarde. Deze uitspraak leidde niet geheel onverwacht tot grote kritiek: moest dit niet worden gezien als een onvoorwaardelijke overgave van de rechtsstaat aan een oorlogszuchtige en discriminerende dictatuur en daarmee aan immoreel recht? Critici zagen de uitspraak daarnaast in het licht van het accepteren van het ontslag van de joodse President Visser door de Hoge Raad, wat kort daarvoor plaats had gevonden.

Dat was de rechtspraak in Nederland. Over de Nederlands-Duitse grens deed de rechterlijke macht tussen 1933 en 1945 nog véél meer afstand van haar onafhankelijkheid: op eigen bevoegdheid werden in Duitsland alle wetten van voor 1933 door rechters opzij geschoven, omdat deze in zouden druisen ‘tegen de nieuwe antisemitische politiek’.

Nadat de Tweede Wereldoorlog was beëindigd met een overwinning van de Geallieerden op Duitsland en Japan werden de Duitse nazi-leiders en hun wetten alsnog getoetst op hun rechtmatigheid en morele waarde. Gerechtshoven in Neurenberg en Tokyo hebben onder andere doodvonnissen uitgesproken tegen Duitse en Japanse ex-leiders. Zij werden schuldig bevonden aan oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de mensheid.

In reactie op de onmenselijkheden die hebben plaatsgevonden in de Tweede Wereldoorlog is in 1948 de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens opgesteld. In deze verklaring, die is aangenomen door de Algemene vergadering van de Verenigde Naties (A/RES/217, 10 december), zijn de mensenrechten die tijdens de Tweede Wereldoorlog geschonden zijn vastgelegd. Sindsdien zijn ze op vele momenten en manieren erkend in internationale verdragen, waaronder bijvoorbeeld in 1966 in het BUPO-verdrag van de Verenigde Naties en het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens uit 1950. In het westen is algemene overeenstemming bereikt over dat deze fundamentele rechten het morele kader vormen en horen te vormen van elke rechtsorde. Sinds 1998 is het verdrag bindend voor alle lidstaten van de Raad van Europa en ratificatie van de EVRM is een voorwaarde om lid te mogen worden van de Raad van Europa en de Europese Unie.